Tips & Trucs

Inleiding

Verschillende camera’s zijn er op de markt te verkrijgen, zo zal een groot deel van Nederland een compact camera in huis hebben om foto’s mee te maken. Maar wat steeds meer aantrekt zijn spiegelreflexcamera’s (DSLR Digitale Single Lens Reflex camera) die meer mogelijkheden bieden om dat ene moment goed vast te leggen. De spiegelreflexcamera biedt de fotograaf alle vrijheid om zijn camera in te richten naar eigen wensen. Losse objectieven, flitsers en andere accessoires maken deze camera zeer veelzijdig.

 

Veel mensen kopen een spiegelreflexcamera en verwachten daarmee dezelfde foto’s te maken als mensen die al een lange tijd fotograferen. Die komen vaak bedrogen uit, omdat je toch enigszins kennis van zaken moet hebben, hoe je in een bepaalde situatie de juiste instellingen moet gebruiken.

 

Belangrijker is dan ook dat jij je apparatuur beheerst, dat wil zeggen dat je moet weten wat je nu wel of niet met de camera (body) kunt doen. Een topcamera in handen van een beginner zal geen mooie foto’s opleveren. Het gaat er dus ook niet zozeer om welke apparatuur je hebt, maar wel hoe je er mee om gaat. Natuurlijk zal een spiegelreflexcamera met het juiste objectief mooiere foto’s geven dan een compact camera, maar er is zoveel meer mogelijk met een spiegelreflexcamera.

 

In dit verhaal vertel ik een aantal zaken die betrekking hebben op een spiegelreflexcamera en waar eventueel op gelet moet worden als je een camera (body) wilt gaan kopen. Niet alles komt aan bod, omdat het fotograferen met een spiegelreflexcamera zo breed is dat je er gerust een boek over kunt schrijven. Het gaat er om dat je een beetje op weg wordt geholpen in de juiste richting.
———————————————————————————————–

Tips en informatie rond een spiegelreflexcamera’s:

De blauwe tekst die hieronder is weergegeven, zijn snelle links naar het desbetreffende onderwerp.

1-0. Eerst je huiswerk doen en dan pas kopen. 


2-0. Objectieven.
2-1. Macro.
2-2. Zoom.
2-3. Vast brandpuntafstand.
2-4. Fisheye.
2-5. Tilt-shift.
2-6. Extenders.

3-0. Instellingen van een spiegelreflexcamera.
3-1. P (AE) programma.
3-2. Tv-programma.
3-3. Av-programma.
3-4. M-Programma.


4.0. Verschil tussen een crop-sensor en een
full-frame sensor.


5-0. Diafragma – Sluitertijd – ISO waarde.
5-1. Diafragma.
5.2. Sluitertijd.
5.3. ISO waarde.


6.0. Slotwoord.

———————————————————————————————–

1-0. Eerst je huiswerk doen en dan pas kopen.

Laten we eerst maar eens bij het begin beginnen. Voordat je een camera (body) gaat kopen, zijn er toch een aantal vragen die je jezelf moet gaan stellen. Bijvoorbeeld wat wil je precies gaan fotograferen, is dit natuur, portret, sport, enz. Of wil je net als bij een compact camera gewoon niet te veel instellingen doen om een foto te maken. Voor de mensen die voor het laatste kiezen moeten zich gaan afvragen of ze wel een spiegelreflexcamera willen aanschaffen. Een spiegelreflexcamera is juist sterk in het aanpassen van instellingen om die ene foto te maken die je zo graag wilt.

 

Niet alle camera’s zijn voor hetzelfde doel gemaakt. Zo zijn er camera’s (body’s) die er voor gemaakt zijn om een bepaalde actiefoto of een statisch beeld vast te leggen. Zo zijn er ook weer camera’s die een full-frame sensor hebben en geen cropfactor, die er ook weer voor zorgen om voor een bepaal doel ingezet te worden. (Wat het verschil is tussen een cropfactor en een full-frame sensor zal ik later op terugkomen in dit verhaal) Als je er achter bent wat je precies wilt, dan wordt het kopen van een camera (body) ook een stuk gemakkelijker.

 

Waar zou je eventueel op moeten letten als je in de winkel een camera wilt gaan kopen.
Zo zou je het best naar een fotozaak kunnen gaan, waar je de camera in de hand vast kunt houden en daarbij kun je letten op zaken zoals: ligt de camera (body) lekker in de hand. Kun je goed bij alle knoppen zonder dat je bijvoorbeeld op de verkeerde knoppen drukt. Bij de wat grotere en betere fotozaken is het ook mogelijk om een x-aantal proef opnamen te maken, zodat je kunt zien wat voor foto’s de desbetreffende camera maakt.

 

Dan zijn er op de markt nog zoveel merken, waardoor je misschien door de bomen het bos niet meer ziet. De merken Canon en Nikon zijn groot marktleider op het verkoopgebied van spiegelreflexcamera’s, dat wil niet zeggen dat andere merken minder goed zijn.

Het assortiment is ook heel belangrijk van het desbetreffende merk, zo kunnen er verschillende objectieven, flitsers worden aangeboden die bij het ene merk in overvloed zijn en bij het andere juist weer veel minder.

 

2-0. Objectieven.

De objectieven zijn ook heel belangrijk misschien nog wel belangrijker dan de camera (body). Dit is ook een van de sterke punten van een spiegelreflexcamera om van objectief te kunnen wisselen. Zo is er voor iedere situatie ook weer een andere objectief te verkrijgen. Ook zijn er objectieven te verkrijgen in verschillende lichtsterktes en zal het ene objectief accurater zijn dan het andere.

Welke objectieven zijn er allemaal op de markt. Er zijn objectieven zoals “macro-”, “zoom-”, “vast brandpunt-”, “Fisheye”en “Tilt-shift”objectieven.

 

2-1. Macro.

Met macro-objectieven kun je details vastleggen die je met het blote oog onmogelijk kunt zien en geven nieuw perspectief aan de allerkleinste onderwerpen zoals bijvoorbeeld bij insecten.

 

2-2. Zoom.

Zoomobjectieven hebben een grotere veelzijdigheid, zeker als het bereik ruim is. Het bespaart je ook het steeds wisselen van objectieven als je met een zoomobjectief werkt. En verwisselen van objectieven werkt in de hand dat er stofdeeltjes in de camera en op de sensor kunnen komen, die kunnen te zien zijn op de foto’s. Het nadeel van zoomobjectieven is dat de kwaliteit wisselt per brandpuntafstand.

 

2-3. Vast brandpuntafstand.

De beste foto’s worden doorgaans gemaakt met een objectief met een vast brandpunt. Alle eigenschappen van zo’n objectief zijn gericht op dat ene brandpunt en compromissen hoeven dus niet te worden gemaakt. Wie voor de beste, scherpste en mooiste kleuren gaat, kiest voor een vast brandpunt. Het nadeel is dat deze niet zo veelzijdig is als een zoomobjectief. Je bent beperkt tot een bepaalde brandpuntafstand.

 

2-4. Fisheye.

Fish-eye objectieven zijn herkenbaar aan hun grote beeldhoek. Vaak rond de 180 graden, soms zelfs meer. Een fish-eye objectief geeft een tonvormig vervormd uitziend beeld, vergelijkbaar met het gereflecteerde beeld in een kerstbal.

 

2-5. Tilt-shift.

Met een tilt-shift objectief ben je in staat het perspectief goed te zetten / te veranderen. Hiermee wordt bedoeld dat als je bijvoorbeeld een gebouw van dichtbij fotografeert, de lijnen die dan scheef gaan lopen kunt corrigeren. Dit objectief is dan ook speciaal ontworpen voor architectuurfotografie en maakt foto’s met weinig vervorming en uitstekende scherpte.

 

2-6. Extenders.

Dan zijn er ook nog extenders die je tussen je camera (body) en het objectief kunt zetten om daarmee je brandpuntafstand mee te vergroten. Zo zijn er bijvoorbeeld extenders te koop die het brandpuntafstand met 1,4x of 2x vergroten. Zo zal bijvoorbeeld een objectief met een brandpuntafstand van 300 mm met een 2x extender worden vergroot naar 600 mm. Je moet er wel rekening mee houden dat het diafragma wordt verdubbeld. (dit is natuurlijk afhankelijk van wat voor extenders je gebruikt) Ook zullen deze extenders niet op alle objectieven passen.
 

3-0. Instellingen van een spiegelreflexcamera.

Er zijn verschillende programma’s waar je een camera op in kunt stellen, zoals programma’s om volautomatisch of semi-automatisch mee te fotograferen. Ook kun je voor een programma kiezen om handmatig alles zelf in te stellen.

 

De standaard volautomatische programma’s zijn programma’s waar je niks in hoeft in te stellen. Eigenlijk zijn het dezelfde instellingen die ook op een compact camera zitten, maar zoals eerder gezegd deze instellingen moet je eigenlijk niet gebruiken. De camera weet natuurlijk niet wat je fotografeert en daarom zijn deze instellingen verreweg van ideaal. De camera zal er natuurlijk wel voor zorgen dat de desbetreffende foto goed belicht wordt. Maar bijvoorbeeld in het volautomatisch sportprogramma weet de camera natuurlijk niet wat nu de juiste sluitertijd moet zijn. Wil je het onderwerp bevriezen of wil je juist snelheid in een foto weergeven, dit kun je alleen zelf bepalen door voor de juiste sluitertijd te kiezen die bij het onderwerp hoort.

 

Bij semi-automatische instellingen kun je een aantal instellingen instellen zoals bijvoorbeeld diafragma, sluitertijd en ISO waarden. Deze programma’s zal ik in het kort doornemen. Deze programma aanduidingen hebben betrekking op Canon camera’s en het kan zijn dat een ander cameramerk een andere aanduiding heeft voor een bepaald programma. Welke programma’s zijn er allemaal in semi-automatisch instellingen; P-programma, Tv-programma en een Av-programma.

 

3-1. P (AE) programma. ( AE staat voor automatische belichting (Auto Exposure)

De camera stelt automatisch de sluitertijd en het diafragma in die het beste passen bij de helderheid van het onderwerp. Hier worden dus de sluitertijd en het diafragma automatisch ingesteld. Je kunt nog eventueel kiezen om de ingebouwde flitser in te stellen of de ISO waarden bij te stellen. Deze instelling wordt ook wel eens de P van paniek genoemd. (je weet even niet welke instellingen je moet gebruiken)

 

3-2. Tv-programma. (Automatische belichting met sluiterprioriteit)

In deze modus stel je de sluitertijd in en stelt de camera automatisch de diafragmawaarde in om de belichting te verkrijgen die past bij de helderheid van het onderwerp. Een kortere sluitertijd kan een actie of het bewegend onderwerp als het ware doen stilstaan. Een langere sluitertijd geeft een wazig effect, wat de indruk kan geven dat er snelheid in de foto zit.

 

3-3. Av-programma. (Automatische belichting met diafragmaprioriteit)

In deze modus stel je het gewenste diafragma in en stelt de camera automatisch de sluitertijd in om de belichting te verkrijgen die past bij de helderheid van het onderwerp. Bij een hoger f/getal (kleiner diafragma) vallen de voorgrond en achtergrond meer samen binnen de acceptabele scherpstelling. Bij een lager f/getal (groter diafragma) vallen de voorgrond en achtergrond daarentegen minder samen binnen de acceptabele scherpstelling.

 

3-4. M-Programma. (Handmatige belichting je stelt zelf alles in)

In deze modus stel je zowel de sluitertijd als het diafragma naar wens in. Raadpleeg de indicator voor het belichtingsniveau in de zoeker om de belichting te bepalen. Programma M gebruik ik eigenlijk alleen maar, soms wil ik de Tv of Av programma’s nog wel eens gebruiken, maar dat komt bijna niet voor. Persoonlijk vind ik dit een zeer fijn programma, je kunt alle instellingen naar eigen hand zetten en dat is natuurlijk wat je wilt.

 

4.0. Verschil tussen een crop-sensor en een full-frame sensor.

De term cropfactor wordt veel gebruikt in de fotowereld om een vergelijking te kunnen maken tussen de openingshoek van objectieven op verschillende camera’s en wordt bepaald door de grootte van de sensor.

 

De meeste analoge camera’s maken gebruik van zogenaamde 35 mm films. Een negatieffilm of diafilm in middenformaat. De term full-frame sensor wordt nu in het digitale tijdperk het meest gebruikt. De maten van het lichtgevoelige vlak van een 35 mm film zijn 36 x 24 mm. Full frame is de norm van waaruit de cropfactor wordt bepaald.

 

Een APS-C formaat sensor heeft een kleinere afmeting dan de hierboven genoemde 35 mm film, namelijk.: 22,5 x 15 mm.

Welke sensors zijn er: APS-C = cropfactor 1.6, APS-H = cropfactor 1.3, full frame = factor 1.0.

 

De meeste fotografen zijn gewend om de lengte van een objectief te specificeren in millimeters wat staat voor de brandpuntsafstand. Die afstand bepaalt de openingshoek van het objectief, oftewel de breedte en hoogte van het kijkveld. Allereerst is de brandpuntsafstand een fysiek gegeven van het objectief en wordt niet beïnvloed door de grootte van de sensor. Wel wordt de openingshoek verkleint door het kleinere oppervlak, waar het licht uit het objectief op opgevangen wordt. Wanneer die openingshoek weer vertaalt wordt naar een 35 mm camera, dan weten we de (effectieve) brandpuntsafstand die bij die openingshoek zou horen.

 

Daarom wordt er gebruik gemaakt van de term effectieve brandpuntsafstand. In feite valt er een deel van het beeld weg, omdat het buiten de sensor valt. Het is dus eigenlijk een crop (uitsnede) van het beeld, wat op een 35 mm sensor gevallen zou zijn.

 

Hoe bereken je nu de (effectieve) brandpuntsafstand voor jouw camera? Brandpuntsafstand x Cropfactor = Effectieve brandpuntsafstand.

Een 100 mm objectief met een APS-C (1.6) sensor wordt dan 100 mm x 1,6 = 160 mm.

 

Het is ook goed om rekening te houden met de aanschaf van een objectief als jouw camera (body) een cropfactor heeft, vooral als je meer groothoek wenst. Bij een teleobjectief zal het voor de meesten niet zoveel uitmaken. Ook zijn er objectieven op de markt die een EF-S vatting hebben, deze zijn weer speciaal gemaakt voor camera’s met een APS-C sensor. Deze objectieven passen niet op een APS-H en full frame camera (body).

 

5-0. Diafragma – Sluitertijd – ISO waarde.

Er zijn een aantal fototermen genoemd die je wellicht nog steeds niks zeggen. Een aantal van deze termen zal ik nog eens nader toelichten.

 

De 3 belangrijkste variabelen die nodig zijn om een foto te maken zijn diafragma, sluitertijd en ISO waarde. Op ’t moment dat we een foto maken, valt er licht door de lens op de sensor. Op de manier waarop dit licht op de sensor valt zijn 3 variabelen van toepassing waarmee we eigenschappen van de uiteindelijke foto kunnen beïnvloeden.

 

5-1. Diafragma.

Het diafragma kunnen we vergelijken met de iris in ons oog: het is een apparaatje in het objectief wat voor een variabele opening in het objectief zorgt. Door de grootte van de opening te veranderen, beïnvloeden we de hoeveelheid licht die er door de lens gaat.

 

De hoeveelheid licht die op de sensor valt bepaalt hoeveel scherptediepte er in de foto zit. Scherptediepte is de afstand waarbinnen het onderwerp op de foto scherp wordt weergegeven. Door te spelen met de diafragma waarde krijg je een volledig scherpe of onscherpe achtergrond. Dat biedt dus mogelijkheden om creatief te fotograferen.

 

Het diafragma werkt in stappen, elke stap heeft een halvering van het licht tot gevolg en heeft een één op één relatie met de sluitertijd. Zo heb je (afhankelijk van de hoeveelheid licht dat beschikbaar is) de mogelijkheid om te kiezen voor een bepaalde scherptediepte.

 

Diafragma wordt aangeduid met het f-getal. Dit is de brandpuntafstand (f) gedeeld door de diameter van het diafragma (D). Hieruit volgt een f-schaal die de stappen beschrijft van het diafragma:

f/1.4 | f/2 | f/2.8 | f/4 | f/5.6 | f/8 | f/11 | f/16 | f/22 | f/32 |

 

Hieronder wordt een afbeelding weergeven met een aantal verschillende diafragma’s.

Hoeveel scherptediepte je kunt bereiken wordt mede bepaald door de aanwezige hoeveelheid licht. Hoe hoger het f-getal, hoe meer van het onderwerp scherp in beeld zal worden gebracht.

 

De f waarden komen terug in de specificaties van objectieven, ze geven de maximum opening en minimum opening van het diafragma aan. Zo zullen de objectieven die een lager f-getal hebben een stuk duurder zijn dan objectieven, die een hoger minimum f-getal hebben.

 

5.2. Sluitertijd.

Met de sluitertijd bepaal je hoe lang de sluiter openstaat, dus hoelang het licht op de sensor valt. Het beste is als de sluitertijd minstens zo snel is als de brandpuntafstand van je objectief. Dus bij een 200-mm objectief moet de sluitertijd minstens 1/200ste van een seconde zijn. Dit is een richtlijn en dit kan weer verschillen per onderwerp. (Wat vaak wordt gehanteerd voor sluitertijd is de brandpuntsafstand x 2)

 

Het liefst heb je dus als je uit de hand fotografeert hele korte sluitertijden, zodat er geen onscherpe foto’s uit de camera komen. Maar ook lange sluitertijden kunnen erg mooi zijn, het hangt er een beetje vanaf wat je in beeld wilt brengen.

 

Hieronder wordt een afbeelding weergegeven met twee verschillende sluitertijden, zodat je kunt zien wat het effect is van de sluitertijd.

Foto 1.

Foto 2.

Bij foto 1 is de sluitertijd 1/640ste en bij foto 2 is dit 1/40ste. Bij foto 1 lijkt het of de auto gewoon stil staat. (bevroren) Bij foto 2  is een lange sluitertijd gebruikt, waardoor je de indruk krijgt dat de auto veel snelheid heeft.

 

5.3. ISO waarde.

Met de ISO waarde bepaal je de lichtgevoeligheid van de sensor. Met een hogere ISO waarde word je sensor gevoeliger voor licht, waardoor die dus meer licht opvangt en waardoor je een kortere sluitertijd kunt gebruiken. (Er is alleen een nadeel aan hogere ISO waardes; hoe hoger het ISO getal is, hoe meer ruis er op de foto te zien is.)

 

Dit betekent dat we met ISO kunnen gaan compenseren. Als je er bijvoorbeeld voor hebt gekozen om een foto te maken met f/8 (omdat dit de juiste scherptediepte oplevert) en je sluitertijd blijkt 1/30ste met een 100mm objectief te zijn, dan is de kans groot dat de foto er bewogen uit komt te zien. Door de ISO waarde van ISO 100 naar ISO 200 te verhogen komen we nu op een sluitertijd uit van 1/60ste, verhogen we hem verder op naar ISO 400, dan komen we op de gewenste 1/100ste sluitertijd uit. Natuurlijk kun je ook het diafragma aanpassen om aan de gewenste sluitertijd te komen, maar dan verliezen we scherptediepte in de foto.

 

Hieronder wordt een afbeelding weergeven van ISO 100 t/m ISO 12800. Zo kun je goed zien wat er gebeurt met het beeld als je de ISO waardes verhoogt. Je dient er wel rekening mee te houden, dat de ISO waardes per camera (body) verschillen. (zo zal een duurdere camera (body) beter met hogere ISO waardes omgaan dan een goedkopere variant)

In deze foto is er een 100% uitsnede gemaakt, om te zien hoe de ISO verhouding staat met steeds hogere ISO waarden.

Een afbeelding met voorbeelden van ISO 100 t/m ISO 12800.

 

6.0. Slotwoord.

Nu ik een aantal zaken heb verteld hoop ik dat je hier wat van hebt opgestoken. Het is ook zeker aan te raden om de theorie in praktijk te brengen. Probeer eens met je camera met de sluitertijd en diafragma te spelen, zo zul je misschien nog wel sneller begrijpen hoe alles in zijn werk gaat.

Om een goede foto te maken, komen er vaak meer zaken bij kijken dan je misschien wel denkt en hangt dit ook altijd van de situatie af. Ze kun je wel de perfecte instellingen hebben om die ene foto te maken, maar als je deze instelling niet kunt gebruiken, omdat de situatie waar in je verkeerd het niet toelaat, zul je toch moeten kunnen improviseren. Om dit te kunnen doen zul je toch enigszins kennis van zaken moeten hebben, om dan toch nog die mooie foto(s) te kunnen maken.